Categorie archief: Waarnemingen 2015

Een zanglijster trotseert de kou

Zou dit de lijster zijn die een groot deel van het jaar, verscholen in de boomtoppen van het Bentwoud, zo mooi voor ons heeft gezongen? Waarschijnlijk niet. Het grootste deel van de zanglijsters die in Nederland gebroed hebben, is vertrokken naar Zuid-Engeland, Frankrijk en Spanje. Van de lijsters die vanuit Scandinavië naar deze warmere streken trekken, blijft een gedeelte in Nederland overwinteren. Niet onverstandig; in het zuiden loop je nog steeds een gerede kans in de braadpan te verdwijnen, terwijl het in het noorden ijzig koud kan zijn. Wat dat betreft zal de sneeuw die het Bentwoud onlangs bedekte een koude verrassing zijn geweest.

Foto: Pieter van Dijk

Voor een gezonde vogel is dit, als het niet te lang duurt, geen probleem. In het najaar wordt een vetreserve aangelegd waarop een paar dagen geteerd kan worden. Er moet echter wel flink gegeten worden om die reserve op peil te houden. Lukt dit niet, dan betekent dit het einde voor de vogel en veel vogels halen inderdaad het voorjaar niet. Gelukkig zien de overlevers meestal wel kans de vogelstand op peil te houden door de afgenomen concurrentie wat betreft voedselaanbod en ruimte voor een territorium.
De lichaamstemperatuur van een vogel bedraagt zo’n 40 ℃. Dat is een enorm verschil met de buitentemperatuur. Vooral in de winter. Het op temperatuur houden van zo’n klein lijfje kost erg veel energie. Gelukkig zijn vogels goed geïsoleerd. Tussen de veren zit veel lucht en door de veren iets op te zetten kan het isolerend vermogen van het verenpak nog iets worden verhoogd. Maar die koude pootjes dan? Wie begin jaren ‘60 vanuit zijn bed met z’n grote blote voeten op het koude zeil stapte weet zich waarschijnlijk nog goed te herinneren hoe ontmoedigend dit kon zijn. Gelukkig bevat de anatomie van een vogel een slimmigheidje om te voorkomen dat er te veel warmte via de kale blote pootjes verloren gaat. De truc is om de temperatuur van het niet  bevederde pootje net een paar graden boven de buitentemperatuur te houden. Omdat het kale pootdeel geen spieren bevat maar alleen pezen is er daar beneden weinig energie en dus niet zo veel bloed nodig. Het weinige warme bloed dat in de poot door de slagader naar beneden stroomt geeft zijn warmte af aan het via de ader naar boven terugstromende koelere bloed. Dit is mogelijk doordat slagader en ader heel dicht tegen elkaar aanliggen en zo een soort warmtewisselaar vormen. Op die manier blijf er zo veel mogelijk warmte in het lichaam. Het systeem wordt vervolmaakt doordat de aderen ’s winters verhuizen van net onder de huid naar de kern van de poot. Nu nog even zorgen dat de bloedvaatjes in de huid zich vernauwen en laat de winter maar komen!

De vos: een nieuwe bewoner van het Bentwoud

Het is zover. Voetsporen en vossendrollen werden al een tijdje gevonden, maar in het Bentwoud gemaakte vossenfoto’s lieten geruime tijd op zich wachten. Niet onlogisch wanneer men bedenkt dat de vos zich door intensieve bejaging steeds meer heeft ontwikkeld tot schemer- en nachtdier. De vos is niet kieskeurig wat zijn menu betreft. Kleine knaagdieren, hazen, konijnen, vogels, eieren, bessen: al het eetbare is welkom, tot aan door mensen achtergelaten afval aan toe. Als hondachtige beschikt de vos over een perfect reukvermogen en een prima gehoor. Voeg daarbij zijn slimheid en goede geheugen en duidelijk zal zijn dat een vos meestal wel aan de kost zal komen.

Foto: Pieter van Dijk

Wat hem danig in de weg kan zitten is de concurrentie van andere vossen. Een maal per jaar krijgt een vos 4 a 5 jongen. Zij worden geboren in een uitgegraven konijnenhol of zelf gegraven burcht. Hier wonen ze met hun moeder. Vader is niet inwonend, maar schijnt wel regelmatig voedsel aan te leveren. Vanaf half juni vindt het leven steeds meer plaats buiten de burcht, en vanaf september moeten de jonge vossen op zoek naar een eigen territorium. Hier wordt het leven lastiger. Lees verder De vos: een nieuwe bewoner van het Bentwoud

Een mooie toekomst voor de Grote Egelskop?

Het Bentwoud is aangelegd op van nature vruchtbare akkerbouwgrond, die daarnaast jarenlang extra is bemest. Een groot deel van die voedingsstoffen komt uiteindelijk in de sloten terecht die het gebied doorsnijden. Water- en oeverplanten vertonen dan ook een weelderige groei in het nieuwe natuurgebied. Zo’n plant is bijvoorbeeld de grote egelskop, zo genoemd naar zijn bolvormige stekelige vruchten.

Op de foto is te zien dat het gaat om een eenhuizige plant. De grote bolletjes zijn de vrouwelijke bloemen, daarboven bevinden zich de kleinere mannelijke bloeiwijzen. Doordat de grote egelskop enthousiast voedingsstoffen uit de bodem opneemt is het een plant met bijzondere mogelijkheden. Lees verder Een mooie toekomst voor de Grote Egelskop?

Een engeltje: de kleine watersalamander

Kikkers leggen hun eieren in grote vormloze hompen. Padden pakken het iets subtieler aan. Hun eitjes worden in fraaie lange snoeren tussen de waterplanten gedrapeerd. Het zorgvuldigst gaat echter de kleine watersalamander te werk. Elk van de ongeveer 250 enigszins kleverige eitjes wordt apart tussen de blaadjes van een waterplant gevouwen. De waterpest, de plant op de foto is hiervoor heel geschikt.

In de Tweede Tocht heeft deze plant zich explosief ontwikkeld, zodat het frisgroene sterkroos vrijwel verdwenen is. Waterpest draagt zijn naam niet voor niets. De plant is oorspronkelijk afkomstig uit Noord-Amerika. In Europa heeft hij zich snel verspreid en voor veel overlast gezorgd door het doen dichtgroeien van watergangen. Voor de jonge salamander op de foto vormen de planten voorlopig een ideale plek om zich te verstoppen voor vele potentiele vijanden. Bovendien produceert de plant grote hoeveelheden zuurstof, die voor alle met kieuwen toegeruste waterdieren onontbeerlijk is. Ook de salamanderlarve op de foto draagt kieuwen, die het diertje met wat fantasie een engelachtig aanzien geven. Deze zullen tijdens de volwassenwording verdwijnen, waarna de salamander met longen en via de huid kan gaat ademen. Het water wordt daarna verlaten en de salamander is landbewoner geworden. Pas in het voorjaar keren de dieren tijdelijk naar het water terug om te paren en eitjes te leggen. Lees verder Een engeltje: de kleine watersalamander

Een gele kwikstaart overziet zijn leefgebied

Bij het woord weidevogels zal vaak gedacht worden aan de wat grotere soorten, zoals de kievit, de grutto of de tureluur. Toch is ook deze parmantige gele kwikstaart een weidevogel. Hij voelt zich thuis in vochtig grasland waar op een goed verborgen plekje kan worden genesteld. Helaas worden de meeste weilanden nogal intensief geëxploiteerd, wat de gele kwikstaart er toe brengt zijn heil steeds vaker te zoeken op akkergrond.

Foto: Jan van Dijk

Ook daar ben je helaas niet altijd veilig, wat er toe leidt dat het aantal broedende gele kwikstaarten afneemt. Dit heeft het diertje op de “rode lijst” doen belanden. Dit is een inventarisatielijst van verdwenen, bedreigde of kwetsbare diersoorten. Een plekje op deze lijst betekent echter alleen een constatering en biedt geen wettelijke bescherming. Hiervoor dient de wet natuurbescherming, die vanaf 1 januari 2017 van kracht is. Deze wet vervangt de natuurbeschermingswet, de boswet en de flora- en faunawet. Voor een aantal diersoorten is deze nieuwe wet een verbetering, voor andere soorten betekent deze wet het einde van hun beschermde status. Nog een verschil met de oude wetgeving is dat de provincie verantwoordelijk is voor de uitvoering en bevoegd is tot het nemen van beslissingen t.a.v. ontheffingen of vergunningen. De gele kwikstaart brengt de winter door in Afrika. Eigenaardig is dat de heen- en terugreis niet altijd volgens dezelfde route plaatsvinden.

Een platbuik

Mijn eerste ontmoeting met een platbuik had ik als jochie van een jaar of tien. Ik vond het dier dood aan de kant van de weg en was er van overtuigd dat het door een fiets overreden was. Hoe anders kwam het beest zo plat? Hij stond wel in mijn determinatiegidsje onder de naam libellula depressa, maar in die dagen deed die naam nog geen belletje bij mij rinkelen. Het zou nog heel wat jaren duren voordat ik er achter kwam dat hij in het Nederlands platbuik heet, zo genoemd naar zijn platte, brede achterlijf.

Hij komt nu ook in het Bentwoud voor. Het schijnt een pionierssoort te zijn. Dat wil zeggen dat hij recent gevormde leefgebieden koloniseert. Voor de oudere delen van het Bentwoud gaat dit niet helemaal meer op. Zeker niet voor de tweede tocht ter hoogte van het oude hondenbos waar ik deze platbuik tegenkwam. Het exemplaar op de foto is een mannetje. Pas uit de larvehuid gekropen is het achterlijf geel. Later wordt dit blauw “berijpt”. De gele kleur is nog mooi te zien aan de randen van de achterlijfsegmenten. Bij een bejaarde libel is het hele achtereind blauw. De vrouwtjes zijn hun hele leven geelbruin van kleur. De mannen zijn continu bezig met het bewaken van hun territorium. Libellen zijn het actiefst en alertst op het heetst van de dag. Geen gunstig moment om een foto te maken. Ze houden er echter een favoriet plekje op na van waaruit ze hun gebied goed kunnen overzien, speurend naar vrouwtjes, voedsel en vijanden. Hiernaar keren ze consequent terug. Heb je dit plekje ontdekt, dan is het alleen nog een kwestie van geduld. Zo lukte het toch nog om ’s middags om een uur of twee op een bijna tropisch aandoende dag deze foto te maken.

Ruigpootbuizerd: let op bevedering van het loopbeen

Doordat de gewone buizerd zo variabel van kleur is wordt hij soms aangezien voor de zeldzamere ruigpootbuizerd. Doorslaggevend bij het determineren van de ruigpootbuizerd is de bevedering van het loopbeen. Dit is het deel van de poot vlak boven de klauw. De vogel op de foto was zo vriendelijk zich zodanig aan de fotograaf te presenteren dat er geen twijfel mogelijk is.

Foto Jan van Dijk
De ruigpootbuizerd broedt in Noord-Europa. Na het broedseizoen trekt hij naar zuidelijker streken en ook in Nederland is hij te zien in de winter en tijdens het nog koude voorjaar. Teruggekeerd naar de noordelijke toendra’s nestelt de ruigpootbuizerd op de grond of op een richel langs de rotsen. Hoeveel eieren het vrouwtje legt is afhankelijk van het beschikbare voedsel. In slechte jaren legt ze 2 – 3 eieren. In goede jaren iets meer dan het dubbele. Als na een maand broeden de kuikens zijn geboren duurt het nog maar anderhalve maand voor ze kunnen vliegen. De ouders blijven hun kroost nog geruime tijd voeren. Op het menu staan veel woelmuizen en lemmingen. Na het broedseizoen trekken de vogels naar het zuiden. Tot in Noord-Griekenland kunnen ze worden waargenomen.

Een uiltje knappen

Hij zit er een beetje slaperig bij. Logisch. Voor deze ransuil moet het werken nog beginnen. Wanneer straks de schemering invalt, wordt deze uilensoort actief en kan hij op muizenjacht. Hopelijk heeft hij kunnen genieten van de nodige dagrust. Op zo’n tien meter afstand bevindt zich namelijk al een groot deel van de dag een groep fotografen. Zij hopen een foto te maken van de velduilen die in het Bentwoud zijn gesignaleerd. Helaas: hun wachten is tot nu toe voor niets geweest. Wanneer mijn zoon en ik de groep passeren wordt er wat vreemd naar ons gekeken. Die twee weten zeker niet dat dit de plek is waar valt te scoren. Eenmaal de groep gepasseerd spot mijn zoon achter het gaas van het hondenlosloopgebied de ransuil. Hij gaat door de knieën en begint een serie foto’s te maken.

Foto Melle Kuit
Vanuit de groep wordt niet gereageerd. Totdat er vanuit de tegengestelde richting nog een fotograaf arriveert die naast ons komt zitten. Nu wordt men toch nieuwsgierig en in een mum van tijd bevinden we ons omringd door een meute plaatjes schietende heren en dames. Ze zijn helemaal blij. Toch nog een beloning na uren wachten. En de uil? Een beetje slaperig knippert hij met zijn ogen. Maar vergis je niet: Zijn kop staat naar ons toegedraaid en zijn oorpluimen staan in de waakstand. Zijn slaperige ogen wekken de indruk dat hij nog even een uiltje wil knappen voordat het donker wordt. Het is trouwens volgens taalkundigen niet zeker of deze uitdrukking “een uiltje knappen” op de overdag slapende uil betrekking heeft. Het zou ook over een type vlinder dat wel uiltje wordt genoemd, kunnen gaan. De uitdrukking betekent in dat geval: even een vlindertje vangen; een smoes om er even tussenuit te knijpen en overdag een dutje te doen.

De slobeend: een vogel met een feestneus

Oppervlakkig beschouwd lijken deze elkaar passerende eendenpaartjes wel wat op elkaar. Het dichtstbijzijnde stelletje is echter voorzien van een opvallend grote snavel. Dit is een handig stuk gereedschap, dat deze eenden gebruiken bij het vergaren van voedsel. Langs de binnenrand van die grote snavel hangen kamvormige lamellen die zijn te vergelijken met de baleinen van een walvis. Met gebogen hoofd slobberen deze slobeenden water op dat langs de zijkanten weer uit de snavel wordt geperst.


Plantendelen en kleine waterdieren worden op deze wijze uit het water gezeefd. Ook bij de jonge eendenkuikens van de slobeend is al snel na hun geboorte te zien dat er zich een enorme snavel aan het ontwikkelen is. In de provincie Friesland worden in een aantal meren de winterrustgebieden aangegeven met boeien waarop een slobeend is afgebeeld. Het is de bedoeling dat er op deze plekken niet wordt gevaren. Om de daar overwinterende watervogels geen energie te laten verspillen is het zaak ze zo weinig mogelijk te laten opvliegen. Ze moeten hun krachten sparen voor het broedseizoen. De slobeend kan een flinke leeftijd bereiken. In Spanje werd ooit een slobeend geschoten die een ring aan zijn poot bleek te dragen. Deze was 31 jaar toen de jager hem te grazen nam. De ring was in Nederland bij de toen nog jonge eend omgedaan.

Valentijnsdag voor de meerkoet

Het is 14 februari en een beetje meerkoet weet natuurlijk dat het Valentijnsdag is. Dit tweetal geniet van het mooie weer en tussen het voedsel zoeken door vinden ze telkens even tijd om elkaar te knuffelen. Aan het bouwen van een nest zijn ze nog niet begonnen, maar lang zal het niet meer duren. De toekomstige ouders knutselen binnenkort met zorg een soort eilandje in elkaar waarop de eieren gelegd gaan worden. Als materiaal gebruiken ze riet en andere waterplanten, maar ook allerlei bruikbaar afval kan voor de bouw worden gebruikt. De samenwerking binnen een meerkoetenhuwelijk is buitengewoon. Terwijl de een bouwt kan men de ander materiaal zien aanslepen.

Meestal bevat een nest tussen de 6 en de 10 eieren, die vanaf maart worden gelegd. Na ruim 3 weken broeden worden de kuikens geboren, donkergrijze bolletjes met een rood kopje. Na een week of 8 schijnen ze al te kunnen vliegen, maar veel jongen redden het niet om tot volle wasdom te komen. Roofvogels en hongerige snoeken houden flink huis onder de kuikens. Dat lijkt triest, maar de meerkoetenstand lijdt daar niet onder. De ouders gaan niet bij de pakken neer zitten en starten een 2e leg. Lees verder Valentijnsdag voor de meerkoet