Categorie archief: Waarnemingen 2015

Snoekje: Een reus in de dop?

Hoe zal het dit snoekje zijn vergaan? Op het moment van de foto was het een krappe 2 cm. lang en hooguit zo’n twee weken oud. Een vrouwtjessnoek legt per kilo lichaamsgewicht 15.000 tot 30.000 eitjes. Voor de modale moedersnoek moet 100.000 eitjes per jaar haalbaar zijn. De maximale leeftijd die een snoek kan bereiken zweeft tussen de 15 en 25 jaar. De gemiddelde leeftijd die vrouwtjes bereiken schijnt 12 a 13 jaar te zijn. Wat grof rekenwerk maakt aannemelijk dat er in een snoekenleven meer dan een miljoen eitjes worden geproduceerd. Wanneer de snoekstand stabiel is brengt elke snoek gedurende zijn of haar leven één succesvolle nakomeling voort. De kans dat de kleine held of heldin op de foto nog leeft, is daarom verwaarloosbaar klein, te vergelijken met het winnen van een dikke prijs in de oudejaarsloterij.
Snoek kck 300416
Sartre zei het al: l’ Enfer c’est les autres. Veel snoekjes worden opgegeten door hun soortgenoten. Iets handiger en sneller groeiende exemplaren uit de zelfde leg vergroten hun voorsprong door zich te goed te doen aan hun broertjes en zusjes alvorens over te gaan op andere vissoorten. Hoe kleiner een snoek is, hoe langer hij probeert zich schuil te houden in de dichte begroeiing langs de oever. wanneer de snoek groter wordt zoekt hij steeds meer het open water op of wordt daartoe gedwongen door een lagere waterstand. Daar is hij pas relatief veilig wanneer hij een lengte van bijna een halve meter heeft bereikt. Relatief, want grote snoeken presteren het om soortgenoten te verslinden met een lengte van 70% van hun eigen lengte. Soms is verstikking het gevolg en overleven ze hun gulzigheid niet. Ook het kleintje op de foto lust wel iets. Het vertoont een goedgevuld buikje.
Uitgebreide en boeiende informatie over het leven van de snoek is te vinden op de site van de Vereniging Sportvisserij Nederland, Info.nu of op Roofvisnet.nl.

Staafwants: de wandelende tak van het zoete water

Het kan er zo idyllisch uitzien; een mooie waterpartij op een zonnige zomerdag. Onder het wateroppervlak woedt echter een continue strijd om het bestaan. Eten of gegeten worden is de realiteit van elk moment. Rust bestaat niet. Elk ogenblik kan het noodlot toeslaan, bijvoorbeeld in de vorm van deze staafwants.
staafwants
Niet te onderscheiden van een half vergaan stukje rietstengel loert dit trage dier tussen de waterplanten op argeloos voorbij zwemmende waterdiertjes. Zijn voorpoten houdt hij voortdurend in de aanslag om toe te slaan. Zijn klauwen hebben veel weg van de grijpers van een bidsprinkhaan. Zoals alle wantsen heeft hij de beschikking over een scherpe zuigsnuit waarmee hij zijn slachtoffer doorboort en leegzuigt. Hieraan dankt de orde van insecten waartoe de wantsen behoren de naam snavelinsecten. Een andere, nogal verwarrende naam is: halfvleugeligen. De meeste wantsen hebben vier vleugels, waarvan het voorste paar grotendeels verhard is en als bescherming dient. Met de achterste vleugels kunnen veel wantsen vliegen. Ook de staafwants beschikt over vleugels, maar deze gebruikt hij niet. De lange spriet aan de achterzijde is een adembuis; een soort snorkel. Dicht onder het wateroppervlak hangend kan hij zijn omgeving in de gaten houden in afwachting van een smakelijk hapje.

Een bootsmannetje in de Tweede Tocht

Je komt ze op de gekste plekken tegen. Niet alleen in de sloot, maar ook in diepe regenplassen. Zelfs in het zwembad kun je ze ’s morgens plotseling aantreffen. Het bootsmannetje is een waterinsect dat niet alleen snel en behendig zwemt, maar ook goed kan vliegen en daardoor soms op onverwachte plekken belandt. Hij behoort tot de orde der wantsen. Deze dieren hebben een zuigsnuit waarmee sommige soorten plantensappen opzuigen. Andere hebben het op dierlijke prooien voorzien. Tot deze tweede categorie behoort het bootsmannetje. Met wat fantasie heeft zijn lichaam iets weg van een klein bootje en met zijn lange, door stugge haartjes op roeispanen lijkende poten beweegt hij zich snel door het water op zoek naar prooi. Deze bestaat uit jonge visjes, amfibielarven en andere kleine waterdieren. Opvallend is dat het bootsmannetje op zijn rug zwemt.
rugzwemmer nimf
Hieraan heeft hij zijn tweede naam “rugzwemmer” te danken. Wantsen kennen geen worm- of rupsachtig larvestadium. De jonge dieren, de nimfen, vervellen een aantal malen. Na elke vervelling lijken ze weer een beetje meer op het volwassen dier. Ook wie onder water leeft heeft zuurstof nodig. Daarom komt het bootsmannetje regelmatig even naar het wateroppervlak om lucht te “tanken”. Met een voorraadje lucht tussen de stugge haartjes aan de buikzijde kan hij weer enige tijd onder water blijven. Deze luchtvoorraad geeft het diertje een zilverachtig uitziende buikzijde. Dit is bij meer waterinsecten te zien. De foto toont een nimf, die net als het volwassen dier even aan de oppervlakte komt om zijn luchtvoorraad te verversen.

Een wereldreiziger: de distelvlinder

Een paar keer was ik de distelvlinder de afgelopen jaren in het Bentwoud tegengekomen. Het maken van een bruikbare foto lukte echter steeds niet. Het dier is erg wantrouwig en bovendien sterk en snel. In luttele seconden kan hij uit het zicht verdwenen zijn. Dat mag ook wel, gezien zijn leven als trekvlinder. In het voorjaar komen de distelvlinders naar onze streken vanuit Zuid-Europa en Afrika. Hierbij maken ze handig gebruik van de wind. Deze moet uiteraard wel de goede kant op waaien, zodat het aantal distelvlinders enorm kan variëren.
Distelvlinder
Het schijnt dat een invasie van distelvlinders vaak samengaat met het onze kant op waaien van Saharazand. Dit fijne, zand kan soms als een roodbruin stoflaagje op auto’s, buiten hangend wasgoed etc. worden waargenomen. De distelvlinder plant zich in het noorden voort, maar ook onderweg kan de vlinder zich al voortplanten. In het najaar is het zaak terug te vliegen naar warme streken. Zowel de rupsen als het volwassen dier overleven een noordelijke winter niet. De afstanden die worden afgelegd zijn enorm voor zo’n klein diertje. Ook op IJsland is de distelvlinder waargenomen en ooit las ik dat hij soms even uitrust op schepen die op volle zee varen.
Begin juni waren er in het Bentwoud plotseling enorm veel distelvlinders. Ze zijn waarschijnlijk hier geboren want ze zagen er stuk voor stuk fris en onbeschadigd uit. Merkwaardig was dat het fotograferen heel makkelijk ging. De nectar uit de rode klaver waarvan ze snoepten was blijkbaar zo lekker dat ze voor gevaar even geen oog hadden.

De tiendoornige stekelbaars: een echte driftkikker

Bij de werkzaamheden tot voltooiing van het Bentwoud behoort het omhoog brengen van de waterstand. Hiermee wordt de zogenaamde zoute kwel tegengegaan. In laaggelegen poldergebied heeft diepgelegen grondwater de neiging omhoog te willen komen. Dit water kan zout bevatten uit de tijd dat de polders nog zee waren. Ook kan zeewater onder dijken en duinen door op grote afstand van de zee in laaggelegen gebied de neiging hebben naar de oppervlakte te komen. Door in sloten en plassen de waterstand te verhogen wordt door de “dikkere laag” zoet water het brakke water beneden gehouden. Of de bomen blij zijn met de hogere waterstand valt nog te bezien. De bodem van het Bentwoud is al erg nat en de bomen hoeven niet diep te wortelen om aan water te komen. Dit maakt ze erg gevoelig voor omwaaien. Nog meer water rond de wortels kan bovendien verstikkend werken.
Tiendoornige stekelbaars kck 300416
Voor het waterleven in het Bentwoud is de hogere waterstand een zegen. Een mooi voorbeeld is de tweede tocht, die van oost naar west door het gebied loopt. Het water staat nu een stuk boven de steile oude beschoeiing, zodat er een combinatie is ontstaan van diep water in het midden en ondiep water langs de oever. Dit ondiepe water vormt een ideale kraamkamer voor vissen en andere waterbewoners. Beschermd door waterplanten en oeverbegroeiing kan hier aan de voortplanting worden gewerkt. Een eerste onderzoekje leverde de ontmoeting op met een volwassen snoek, enkele jonge voorntjes, een “snoeklarve” van nog geen twee centimeter lang en enkele tiendoornige stekelbaarsjes. Dit laatste visje neemt het trouwens niet zo nauw met de waterkwaliteit. Als er genoeg te eten is, zoals muggenlarven is deze waterbewoner al snel tevreden. Hij jaagt echter op zicht, dus een zekere helderheid van het water is wel nodig. Om zich voort te planten heeft dit visje bovendien een dichte begroeiing van waterplanten nodig. Hierin bouwt het mannetje een nestje van plantendelen. Met verleidelijk baltsgedrag lokt hij hier een vrouwtje in, dat wordt weggejaagd nadat zij eitjes in het nest heeft gelegd. De vader blijft vanaf dat moment zijn nageslacht fanatiek bewaken en verdedigen tegen alles wat in de buurt komt. In het voortplantingsseizoen is het mannetje donker gekleurd, terwijl de drie stekels aan zijn onderzijde bijna fluorescerend licht zijn. Op de foto is te zien hoe een mannetje een vrouwtje aanvalt. Terecht: ze zou zomaar haar eigen kinderen kunnen opeten.

De bergeend: lekker baggeren

De vogel die hier zo parmantig voor een dikke Canadese gans langs stapt is een bergeend. Een mannetje om precies te zijn, te herkennen aan de dikke rode knobbel aan de basis van zijn snavel.
Bergeend kck 11 04 2016
Het vrouwtje heeft die niet, maar ziet er verder hetzelfde uit. Zij mist de schutkleur die de meeste vrouwtjeseenden hebben. Omdat de bergeend van origine een holenbroeder is, heeft zij die ook niet zo nodig. Oorspronkelijk is de bergeend een vogel van de kust en de duinen; van “the Dutch mountains”. Hier broedt de vogel graag in verlaten konijnenholen. Wanneer deze er niet zijn moet de bergeend genoegen nemen met een nest in dichte begroeiing. Er zijn in Europa legio plekken zonder konijnenholen waar de bergeend alternatieve nestelplekken benut. In recente publicaties over de vogel wordt nogal eens geconstateerd dat hij de laatste jaren steeds meer landinwaarts wordt aangetroffen. Aardig om te weten is dat dit ook al geconstateerd werd in de zesde druk van de vogelgids “Zien Is Kennen” uit 1962. Hoewel het een flink beest is, valt de bergeend niet onder de ganzen. Hij heeft een specifieke manier van voedsel zoeken. Stampend en baggerend door ondiep water eet hij losgewoelde plantendelen en opgeschrikte waterdiertjes. Knap dat hij zijn verenkleed zo mooi schoon houdt.

De krakeend

Vanuit de verte is de krakeend nauwelijks te onderscheiden van de vertrouwde wilde eend. Vooral de vrouwtjes lijken erg op elkaar. Een van de kenmerkende verschillen vormt de spiegel op de vleugels. Dit is het opvallende gekleurde vlakje dat veel eendenvleugels siert. Bij de wilde eend is dit iriserend blauw, terwijl het bij de krakeend wit is. De mannetjes missen bovendien de voor de wilde eend zo kenmerkende groene kop.
krakeend kck 11 03 16
Krakeenden zijn planteneters. Ze houden van een afwisselende rijke oevervegetatie. Ze kunnen in het water op hun kop staand –grondelend- of slobberend met hun snavel over het wateroppervlak worden gezien. De krakeend wordt ook wel kort maar krachtig krak genoemd. De naam kan te maken hebben met het geluid van het mannetje, dat wel wordt omschreven als een neuzelig, krakend knorren. Als het ’s winters niet te koud is overwinteren er duizenden krakeenden in Nederland. Wordt de kou ze te gortig, dan trekken ze naar het zuidwesten van Europa. Vroeger was de krakeend een zeldzame broedvogel in onze streken. Tegenwoordig komt hij steeds meer voor. Sommigen verwachten zelfs dat ze de wilde eend ooit in getal zullen evenaren.

Klapstuk in het Bentwoud

Klapstuk in het Bentwoud
Vanaf eind november 2015 voelt een voor Nederland zeer schaarse vogel zich goed thuis in het (ons) Bentwoud. Zijn naam : Klapekster (in Latijns: Lanius excubitor). Is geen familie van de gewone Ekster, want dit is een klauwier. Deze zangvogel heeft een haaksnavel en poten met scherpe nagels. Hij vangt levende prooien zoals hagedissen, veldmuizen, kleine vogels en grote insecten. Hij gedraagt zich dus als een predator. Daarnaast heeft hij de gewoonte gevangen prooien (soms nauwelijks dood) als voedselvoorraad op te prikken aan doornen of prikkeldraad. In de vorige eeuw broedden Klapeksters nog in ons land. Door de jaren heen werd de soort echter steeds schaarser. De afnemende trend bleef doorzetten en sinds 2002 is er geen broedgeval meer vastgesteld in Nederland.
Klapekster151215B
(Foto Adri de Groot, vogeldagboek.nl)
In de trektijd zakken Scandinavische vogels af naar het zuiden. Ze worden dan redelijk vaak in Nederland gezien. Een deel van deze vogels blijft overwinteren. Voornamelijk op heideterreinen zijn daarom in de winter Klapeksters waar te nemen. Klapeksters houden er winterterritoria op na die gewoonlijk enkele tientallen hectares beslaan. In dit territorium hebben ze enkele vaste uitkijkposten die ze veelvuldig gebruiken. Afhankelijk van de voedselsituatie verplaatsen ze zich tussen de uitkijkposten, en leggen per dag soms 10 km of meer af.
Klapekster230116J
(Foto Adri de Groot, vogeldagboek.nl
In sommige laagveengebieden is het landschap door vegetatiesuccessie mogelijk aantrekkelijker geworden voor Klapeksters. Elk jaar worden de overwinterende klapekster geteld in Nederland. In Zuid Holland verblijven er nu maximaal 5 exemplaren van dit prachtbeest. Zondag 7 februari 2016 heb ik met enig geluk een exemplaar waargenomen. Het is iets om trots op te zijn dat deze vogel hier verblijft, en nog vele jaren hier als klapstuk hopelijk mag verblijven. Het toont aan dat dit natuurgebied een aanwinst is voor Zuid Holland en zorgvuldig beschermd en behouden moet blijven!

G. Rozeboom

Een luidruchtige slechtvalk

Aangekomen bij de hoogspanningslijn die de golfbaan doorsnijdt hoor ik een geluid alsof er in een van de masten iemand met een botte figuurzaag bezig is. Dat lijkt me vrij onwaarschijnlijk en na lang turen ontdek ik een roofvogel op een plateau hoog boven mijn hoofd. Wanneer ik nog iets dichterbij kom, vliegt de vogel weg. Hij beschrijft enkele wijde cirkels en keert terug op zijn plekje. Tijdens zijn vlucht maak ik enkele foto’s. De vogel bevindt zich binnen enkele seconden op grote afstand en ik moet mijn plaatjes flink “opblazen” om de soort vast te kunnen stellen. Het blijkt een slechtvalk te zijn, goed herkenbaar aan de donkere wangvlek.
Slectvalk kck 280116
Van deze vogel wordt beweerd dat hij een snelheid kan bereiken van tussen de 300 en 400 km per uur. Onder valkeniers schijnt deze soort erg populair te zijn. Over de oorsprong van de naam lopen de meningen uiteen. “Slecht” zou verwant kunnen zijn aan het werkwoord “slechten”: met de grond gelijk maken, efficiënt neerslaan. Het in duikvlucht grijpen van een prooi wordt dan ook “slaan” genoemd. “Slecht” kan ook betekenen: gewoon of eenvoudig. Lees verder Een luidruchtige slechtvalk

De inktvis van het Bentwoud

Lang, lang geleden zat ik met mijn vader aan tafel en vroeg ik hem: ‘’Pap, mag ik je botjes zien?’’ Om misverstanden te voorkomen: daarmee bedoelde ik een plastic doos met botjes en wat fossielen. Altijd als mijn vader dan de doos van zolder haalde waren er twee vragen. Vraag 1 was: Wanneer mag ik de doos hebben? En vraag twee was: Wat is dit? De doos is inmiddels van mij en de interesse voor de botjes is er nog steeds. Ik verdiep mij al lange tijd in fossielen uit het pleistoceen en ik zoek ze nog graag. Mijn collectie is al aardig groot. Als je mij ziet lopen zal het opvallen dat ik altijd naar beneden kijk. Dat komt omdat ik altijd op zoek ben. Ook als ik naar het Bentwoud ga. Naast de oude parkeerplaats ligt op het moment een grote hoop aarde.
Belemniet
Als de nieuwsgierige puber die ik ben klim ik op de berg om te kijken wat er aan de hand is. Ik loop aan de andere kant de berg af en mijn oog valt op een rond steentje met een puntje. Dit herken ik nog van papa’s botjes! Een belemniet! Lees verder De inktvis van het Bentwoud