Categorie archief: Waarnemingen 2015

De zwarte wegmier neemt even de tijd voor een goed gesprek

Ontdoe in gedachten een wesp van haar vleugels en je houdt een grote gestreepte mier over. Mogelijk een wat bizarre gedachte, maar wanneer men zich realiseert dat mieren tot de zelfde familie behoren als de wespen namelijk de vespoidea, dan wordt het al iets minder vreemd. Bedenk daarbij ook dat er in de zomer korte tijd gevleugelde mieren uit allerlei hoeken en gaten komen, tot groot genoegen van de zwaluwen, voor wie het smullen geblazen is. Deze vliegende mieren zijn de in het nest door de vleugelloze werkmieren opgekweekte jonge koninginnen en mannetjes. Wanneer de weersomstandigheden gunstig zijn komen zij massaal en schijnbaar volgens afspraak uit verschillende nesten tevoorschijn.

Dat moet ook om de kans op inteelt te verkleinen. Hoog in de lucht vindt tijdens de zogenaamde “bruidsvlucht” de paring plaats. De mannetjes mogen nu rustig sterven, maar voor de bevruchte koninginnen is het zaak veilig met alle zes de benen op aarde terug te keren en een geschikt plekje te vinden om helemaal alleen een nieuw volk te stichten. Vereisten voor een geschikte plek zijn een juiste temperatuur, vochtigheidsgraad en duisternis. Het heeft iets moois, maar ook iets triests. Slechts een paar koninginnen zullen niet worden opgegeten en een goed plekje vinden. Het merendeel wordt verslonden, belandt op het asfalt of op een andere onbruikbare plek. Net als hun familieleden de wespen zijn de mieren sociale insecten. Een mierenvolk, waarin groepen mieren een specifieke taak vervullen wordt wel eens beschouwd als één groot organisme. Dit vraagt om een efficiënte communicatie. Deze vindt bij mieren voornamelijk plaats door middel van feromonen, signaalstoffen die worden ingezet bij het uitwisselen van informatie. De voelsprieten spelen hierbij waarschijnlijk de belangrijkste rol. Simpel gesteld zou je kunnen zeggen dat mieren hiermee ruiken. Deze sprieten zien er veel ingewikkelder uit dan die van veel andere insecten. De voelspriet van een dagvlinder ziet er uit als een lucifer: een stokje met een knopje. De mierenvoelspriet is veel beweeglijker. Na het eerste segment, bekeken vanaf de kop, zit een soort elleboogje, dat de spriet op een armpje doet lijken. Naast het ruiken en interpreteren van de signaalstoffen zouden de sprieten b.v. kunnen worden gebruikt om aan te geven in welke richting een mier voedsel heeft gevonden. Wanneer andere mieren uit het volk eenmaal op het juiste spoor zijn gebracht wordt de weg naar het lekkers verder versterkt door een feromoon, waardoor nog meer mieren het spoor kunnen volgen. Het terugvinden van het nest is ook afhankelijk van geursporen. Een mier die je van je kleren schudt op enige afstand van het nest zal hoogstwaarschijnlijk nooit meer thuiskomen en omkomen. Aansluiting bij een ander nest is geen optie. Elk volk heeft zijn eigen geur. Tegenover vreemdelingen gedragen mieren zich erg agressief. Het is dus van levensbelang tijdens het werk voortdurend via de voelsprieten in contact te blijven met nestgenoten. Even een goed gesprek.

De strontvlieg: een onbegrepen insect

De strontvlieg lust namelijk geen stront. Ondanks zijn wetenschappelijke naam Scathophaga stercoraria, die letterlijk stronteter betekent, leeft hij zoals veel insecten van nectar die hij uit bloemen haalt. Ter afwisseling grijpt hij af en toe een klein vliegje, dat hij met zijn priksnuitje leegzuigt. Wat hebben al die mooie lichtbruine vliegjes dan toch te zoeken op de verse flatsen die de hooglanders zo gul produceren? Het antwoord is: liefde.

De koeienvlaaien doen dienst als hangplek voor de mannetjes. Ze zijn te herkennen aan hun kenmerkende lichtbruine kleur. De vrouwtjes zijn wat meer grijsachtig en niet zomaar relaxend op de koeienstront aan te treffen. Ze vliegen rond met de bedoeling hun eitjes te laten bevruchten. Wanneer een vrouwtje de lucht krijgt van een koeienvlaai benadert ze deze tegen de wind in. Eenmaal geland tussen de wachtende mannetjes wordt zij het onderwerp van een gezellige nerveuze opwinding. De heren tuimelen van enthousiasme over elkaar heen en een van hen is uitverkoren om met het vrouwtje te paren. Dit gebeurt soms op de vlaai, maar ook kan het gebeuren dat het stelletje even een rustig plekje in het gras opzoekt.  De eitjes worden vervolgens gelegd op de vlaai. Om te voorkomen dat ze meteen in de drek zakken, hebben ze een bijzondere vorm. Door twee “vleugeltjes” hebben de eitjes qua vorm iets weg van een klein wit vliegje. Door deze vergroting van hun oppervlak blijven ze aan de oppervlakte, wat ze behoedt tegen verstikking. Een soortgelijke aanpassing is te zien aan de voeten van de strontvlieg. Deze lijken zelfs een beetje op de eitjes en maken het mogelijk comfortabel over de vlaai te wandelen.

De larfjes die uit de eitjes komen verdwijnen wel in de stront. Deze eten ze echter niet op, maar ze gaan op jacht naar larven van andere vliegensoorten die in de vlaai leven. Uiteindelijk verpoppen ze onder of naast de vlaai in de grond. Nu is het wachten op het grote moment om als nieuwe strontvlieg uit de pophuid te kruipen en het luchtruim te kiezen. Een mooi en vredig leven zou men denken. Toch loert er een onverwacht gevaar. Veel runderen krijgen medicatie toegediend om hen te beschermen tegen darmparasieten. Een veel gebruikt middel, ivermeticine, brengt schade aan organismen die er in de natuur voor zorgen dat uitwerpselen netjes worden opgeruimd en weer in de kringloop van het leven worden opgenomen. De mestkever is hiervoor erg gevoelig, maar ook onze strontvlieg ondervindt hiervan gezondheidsschade.

De fuut, een vogel met een bewogen verleden

1892 was niet alleen het jaar waarin mijn grootvader werd geboren. Het was ook het jaar waarin de Bond ter bestrijding eener Gruwelmode werd opgericht. Welgestelde dames tooiden zich in die dagen met hoeden die uitbundig waren versierd met andermans veren. Dit kostte in Europa zo’n 5 miljoen vogels per jaar het leven. Toen veren alleen niet exclusief genoeg meer waren en er complete opgezette vogels op de dameshoeden verschenen kwamen er mensen tegen deze mode in opstand. Vooral de stern en de kleine zilverreiger hadden erg te lijden onder de pronkzucht der dames. Een andere vogel die het zwaar had was de fuut.

Niet alleen werd hij gezien als concurrent  van de visser, ook op zijn dicht bevederde velletje had de mens het voorzien. De satijnzachte witte borstveren stonden bekend onder de naam “futenbont”. Hiervan werden kraagjes en ook moffen waarin met ’s winters de handen kon warm houden gemaakt. De fraaie kastanjebruine halsveren zorgden voor een mooie finishing touch. De bovengenoemde bond vormde een aanzet tot het in 1899 oprichten van de Vereeniging tot Bescherming van Vogels. Tegenwoordig kennen we deze organisatie onder de naam Vogelbescherming Nederland.

Wie geluk heeft kan in het voorjaar de futenbalts aanschouwen, een ongelooflijk fraai waterballet waarvan op Youtube verschillende filmpjes zijn te zien. Na het bezegelen van hun relatie beginnen de ouders met het bouwen van een nest. Hiervoor worden half vergane plantendelen gebruikt, die een soort eilandje vormen. Zijn er eenmaal eieren gelegd dan worden deze met wat rottende plantendelen afgedekt wanneer de ouder zich genoodzaakt ziet het nest even te verlaten. Vader en moeder zorgen samen zo’n 10 weken voor de jongen in streepjespyjama, die op de rug van de ouder, veilig tussen de veren met de wijde wereld gaan kennismaken. Futen zijn behendige vissers. Minutenlang kunnen ze onder water blijven om een visje te vangen, maar ook om zo ongemerkt mogelijk uit de buurt van een mogelijke belager te komen.

IJs: de grootste vijand van de ijsvogel

Hoewel de ijsvogel geen dagelijkse verschijning is neemt het aantal waarnemingen toe. Dit kan te maken hebben met klimaatverandering en het daarmee samengaande  minder vaak dichtvriezen van de plekken waar de ijsvogel zijn voedsel vergaart. Aan zijn prachtige kleuren dankt de vogel zijn bijnaam “vliegende edelsteen”. De naam ijsvogel heeft iets wrangs en tegenstrijdigs in zich. Dichtgevroren oppervlaktewater betekent voor de ijsvogel: geen eten. Dat betekent niet alleen honger, maar ook tekort aan vet uit de stuitklier om het verenpak waterafstotend te houden. Daarom is het zaak tijdig weg te trekken naar ijsvrij gebied. Mannetjes wachten vaak langer met wegtrekken dan de vrouwtjes. Het lijkt er op dat zij moeite hebben met het verlaten van hun territorium en broedplek. Wij mensen kunnen de ijsvogel helaas niet helpen met een voedertafel en vetbolletjes. Hooguit kunnen we delen van sloten ijsvrij proberen te houden en zorgen voor over het water hangende takken. Daarnaast zijn er op steeds meer plekken ijsvogelwanden te zien: van broedholen voorziene natuurlijke steile oevers tot betonnen muurtjes met daarin prefab broedwoningen. Je vindt er nu ook twee in het Bentwoud.

Foto: Pieter van Dijk

Lees verder IJs: de grootste vijand van de ijsvogel

Een zanglijster trotseert de kou

Zou dit de lijster zijn die een groot deel van het jaar, verscholen in de boomtoppen van het Bentwoud, zo mooi voor ons heeft gezongen? Waarschijnlijk niet. Het grootste deel van de zanglijsters die in Nederland gebroed hebben, is vertrokken naar Zuid-Engeland, Frankrijk en Spanje. Van de lijsters die vanuit Scandinavië naar deze warmere streken trekken, blijft een gedeelte in Nederland overwinteren. Niet onverstandig; in het zuiden loop je nog steeds een gerede kans in de braadpan te verdwijnen, terwijl het in het noorden ijzig koud kan zijn. Wat dat betreft zal de sneeuw die het Bentwoud onlangs bedekte een koude verrassing zijn geweest.

Foto: Pieter van Dijk

Voor een gezonde vogel is dit, als het niet te lang duurt, geen probleem. In het najaar wordt een vetreserve aangelegd waarop een paar dagen geteerd kan worden. Er moet echter wel flink gegeten worden om die reserve op peil te houden. Lukt dit niet, dan betekent dit het einde voor de vogel en veel vogels halen inderdaad het voorjaar niet. Gelukkig zien de overlevers meestal wel kans de vogelstand op peil te houden door de afgenomen concurrentie wat betreft voedselaanbod en ruimte voor een territorium. Lees verder Een zanglijster trotseert de kou

De vos: een nieuwe bewoner van het Bentwoud

Het is zover. Voetsporen en vossendrollen werden al een tijdje gevonden, maar in het Bentwoud gemaakte vossenfoto’s lieten geruime tijd op zich wachten. Niet onlogisch wanneer men bedenkt dat de vos zich door intensieve bejaging steeds meer heeft ontwikkeld tot schemer- en nachtdier. De vos is niet kieskeurig wat zijn menu betreft. Kleine knaagdieren, hazen, konijnen, vogels, eieren, bessen: al het eetbare is welkom, tot aan door mensen achtergelaten afval aan toe. Als hondachtige beschikt de vos over een perfect reukvermogen en een prima gehoor. Voeg daarbij zijn slimheid en goede geheugen en duidelijk zal zijn dat een vos meestal wel aan de kost zal komen.

Foto: Pieter van Dijk

Wat hem danig in de weg kan zitten is de concurrentie van andere vossen. Een maal per jaar krijgt een vos 4 a 5 jongen. Zij worden geboren in een uitgegraven konijnenhol of zelf gegraven burcht. Hier wonen ze met hun moeder. Vader is niet inwonend, maar schijnt wel regelmatig voedsel aan te leveren. Vanaf half juni vindt het leven steeds meer plaats buiten de burcht, en vanaf september moeten de jonge vossen op zoek naar een eigen territorium. Hier wordt het leven lastiger. Lees verder De vos: een nieuwe bewoner van het Bentwoud

Een mooie toekomst voor de Grote Egelskop?

Het Bentwoud is aangelegd op van nature vruchtbare akkerbouwgrond, die daarnaast jarenlang extra is bemest. Een groot deel van die voedingsstoffen komt uiteindelijk in de sloten terecht die het gebied doorsnijden. Water- en oeverplanten vertonen dan ook een weelderige groei in het nieuwe natuurgebied. Zo’n plant is bijvoorbeeld de grote egelskop, zo genoemd naar zijn bolvormige stekelige vruchten.

Op de foto is te zien dat het gaat om een eenhuizige plant. De grote bolletjes zijn de vrouwelijke bloemen, daarboven bevinden zich de kleinere mannelijke bloeiwijzen. Doordat de grote egelskop enthousiast voedingsstoffen uit de bodem opneemt is het een plant met bijzondere mogelijkheden. Lees verder Een mooie toekomst voor de Grote Egelskop?

Een engeltje: de kleine watersalamander

Kikkers leggen hun eieren in grote vormloze hompen. Padden pakken het iets subtieler aan. Hun eitjes worden in fraaie lange snoeren tussen de waterplanten gedrapeerd. Het zorgvuldigst gaat echter de kleine watersalamander te werk. Elk van de ongeveer 250 enigszins kleverige eitjes wordt apart tussen de blaadjes van een waterplant gevouwen. De waterpest, de plant op de foto is hiervoor heel geschikt.

In de Tweede Tocht heeft deze plant zich explosief ontwikkeld, zodat het frisgroene sterkroos vrijwel verdwenen is. Waterpest draagt zijn naam niet voor niets. De plant is oorspronkelijk afkomstig uit Noord-Amerika. In Europa heeft hij zich snel verspreid en voor veel overlast gezorgd door het doen dichtgroeien van watergangen. Voor de jonge salamander op de foto vormen de planten voorlopig een ideale plek om zich te verstoppen voor vele potentiele vijanden. Bovendien produceert de plant grote hoeveelheden zuurstof, die voor alle met kieuwen toegeruste waterdieren onontbeerlijk is. Ook de salamanderlarve op de foto draagt kieuwen, die het diertje met wat fantasie een engelachtig aanzien geven. Deze zullen tijdens de volwassenwording verdwijnen, waarna de salamander met longen en via de huid kan gaat ademen. Het water wordt daarna verlaten en de salamander is landbewoner geworden. Pas in het voorjaar keren de dieren tijdelijk naar het water terug om te paren en eitjes te leggen. Lees verder Een engeltje: de kleine watersalamander

Een gele kwikstaart overziet zijn leefgebied

Bij het woord weidevogels zal vaak gedacht worden aan de wat grotere soorten, zoals de kievit, de grutto of de tureluur. Toch is ook deze parmantige gele kwikstaart een weidevogel. Hij voelt zich thuis in vochtig grasland waar op een goed verborgen plekje kan worden genesteld. Helaas worden de meeste weilanden nogal intensief geëxploiteerd, wat de gele kwikstaart er toe brengt zijn heil steeds vaker te zoeken op akkergrond.

Foto: Jan van Dijk

Ook daar ben je helaas niet altijd veilig, wat er toe leidt dat het aantal broedende gele kwikstaarten afneemt. Dit heeft het diertje op de “rode lijst” doen belanden. Dit is een inventarisatielijst van verdwenen, bedreigde of kwetsbare diersoorten. Een plekje op deze lijst betekent echter alleen een constatering en biedt geen wettelijke bescherming. Hiervoor dient de wet natuurbescherming, die vanaf 1 januari 2017 van kracht is. Deze wet vervangt de natuurbeschermingswet, de boswet en de flora- en faunawet. Voor een aantal diersoorten is deze nieuwe wet een verbetering, voor andere soorten betekent deze wet het einde van hun beschermde status. Nog een verschil met de oude wetgeving is dat de provincie verantwoordelijk is voor de uitvoering en bevoegd is tot het nemen van beslissingen t.a.v. ontheffingen of vergunningen. De gele kwikstaart brengt de winter door in Afrika. Eigenaardig is dat de heen- en terugreis niet altijd volgens dezelfde route plaatsvinden.

Een platbuik

Mijn eerste ontmoeting met een platbuik had ik als jochie van een jaar of tien. Ik vond het dier dood aan de kant van de weg en was er van overtuigd dat het door een fiets overreden was. Hoe anders kwam het beest zo plat? Hij stond wel in mijn determinatiegidsje onder de naam libellula depressa, maar in die dagen deed die naam nog geen belletje bij mij rinkelen. Het zou nog heel wat jaren duren voordat ik er achter kwam dat hij in het Nederlands platbuik heet, zo genoemd naar zijn platte, brede achterlijf.

Hij komt nu ook in het Bentwoud voor. Het schijnt een pionierssoort te zijn. Dat wil zeggen dat hij recent gevormde leefgebieden koloniseert. Voor de oudere delen van het Bentwoud gaat dit niet helemaal meer op. Zeker niet voor de tweede tocht ter hoogte van het oude hondenbos waar ik deze platbuik tegenkwam. Het exemplaar op de foto is een mannetje. Pas uit de larvehuid gekropen is het achterlijf geel. Later wordt dit blauw “berijpt”. De gele kleur is nog mooi te zien aan de randen van de achterlijfsegmenten. Bij een bejaarde libel is het hele achtereind blauw. De vrouwtjes zijn hun hele leven geelbruin van kleur. De mannen zijn continu bezig met het bewaken van hun territorium. Libellen zijn het actiefst en alertst op het heetst van de dag. Geen gunstig moment om een foto te maken. Ze houden er echter een favoriet plekje op na van waaruit ze hun gebied goed kunnen overzien, speurend naar vrouwtjes, voedsel en vijanden. Hiernaar keren ze consequent terug. Heb je dit plekje ontdekt, dan is het alleen nog een kwestie van geduld. Zo lukte het toch nog om ’s middags om een uur of twee op een bijna tropisch aandoende dag deze foto te maken.