Categorie archief: Waarnemingen 2015

Ruigpootbuizerd: let op bevedering van het loopbeen

Doordat de gewone buizerd zo variabel van kleur is wordt hij soms aangezien voor de zeldzamere ruigpootbuizerd. Doorslaggevend bij het determineren van de ruigpootbuizerd is de bevedering van het loopbeen. Dit is het deel van de poot vlak boven de klauw. De vogel op de foto was zo vriendelijk zich zodanig aan de fotograaf te presenteren dat er geen twijfel mogelijk is.

Foto Jan van Dijk
De ruigpootbuizerd broedt in Noord-Europa. Na het broedseizoen trekt hij naar zuidelijker streken en ook in Nederland is hij te zien in de winter en tijdens het nog koude voorjaar. Teruggekeerd naar de noordelijke toendra’s nestelt de ruigpootbuizerd op de grond of op een richel langs de rotsen. Hoeveel eieren het vrouwtje legt is afhankelijk van het beschikbare voedsel. In slechte jaren legt ze 2 – 3 eieren. In goede jaren iets meer dan het dubbele. Als na een maand broeden de kuikens zijn geboren duurt het nog maar anderhalve maand voor ze kunnen vliegen. De ouders blijven hun kroost nog geruime tijd voeren. Op het menu staan veel woelmuizen en lemmingen. Na het broedseizoen trekken de vogels naar het zuiden. Tot in Noord-Griekenland kunnen ze worden waargenomen.

Een uiltje knappen

Hij zit er een beetje slaperig bij. Logisch. Voor deze ransuil moet het werken nog beginnen. Wanneer straks de schemering invalt, wordt deze uilensoort actief en kan hij op muizenjacht. Hopelijk heeft hij kunnen genieten van de nodige dagrust. Op zo’n tien meter afstand bevindt zich namelijk al een groot deel van de dag een groep fotografen. Zij hopen een foto te maken van de velduilen die in het Bentwoud zijn gesignaleerd. Helaas: hun wachten is tot nu toe voor niets geweest. Wanneer mijn zoon en ik de groep passeren wordt er wat vreemd naar ons gekeken. Die twee weten zeker niet dat dit de plek is waar valt te scoren. Eenmaal de groep gepasseerd spot mijn zoon achter het gaas van het hondenlosloopgebied de ransuil. Hij gaat door de knieën en begint een serie foto’s te maken.

Foto Melle Kuit
Vanuit de groep wordt niet gereageerd. Totdat er vanuit de tegengestelde richting nog een fotograaf arriveert die naast ons komt zitten. Nu wordt men toch nieuwsgierig en in een mum van tijd bevinden we ons omringd door een meute plaatjes schietende heren en dames. Ze zijn helemaal blij. Toch nog een beloning na uren wachten. En de uil? Een beetje slaperig knippert hij met zijn ogen. Maar vergis je niet: Zijn kop staat naar ons toegedraaid en zijn oorpluimen staan in de waakstand. Zijn slaperige ogen wekken de indruk dat hij nog even een uiltje wil knappen voordat het donker wordt. Het is trouwens volgens taalkundigen niet zeker of deze uitdrukking “een uiltje knappen” op de overdag slapende uil betrekking heeft. Het zou ook over een type vlinder dat wel uiltje wordt genoemd, kunnen gaan. De uitdrukking betekent in dat geval: even een vlindertje vangen; een smoes om er even tussenuit te knijpen en overdag een dutje te doen.

De slobeend: een vogel met een feestneus

Oppervlakkig beschouwd lijken deze elkaar passerende eendenpaartjes wel wat op elkaar. Het dichtstbijzijnde stelletje is echter voorzien van een opvallend grote snavel. Dit is een handig stuk gereedschap, dat deze eenden gebruiken bij het vergaren van voedsel. Langs de binnenrand van die grote snavel hangen kamvormige lamellen die zijn te vergelijken met de baleinen van een walvis. Met gebogen hoofd slobberen deze slobeenden water op dat langs de zijkanten weer uit de snavel wordt geperst.


Plantendelen en kleine waterdieren worden op deze wijze uit het water gezeefd. Ook bij de jonge eendenkuikens van de slobeend is al snel na hun geboorte te zien dat er zich een enorme snavel aan het ontwikkelen is. In de provincie Friesland worden in een aantal meren de winterrustgebieden aangegeven met boeien waarop een slobeend is afgebeeld. Het is de bedoeling dat er op deze plekken niet wordt gevaren. Om de daar overwinterende watervogels geen energie te laten verspillen is het zaak ze zo weinig mogelijk te laten opvliegen. Ze moeten hun krachten sparen voor het broedseizoen. De slobeend kan een flinke leeftijd bereiken. In Spanje werd ooit een slobeend geschoten die een ring aan zijn poot bleek te dragen. Deze was 31 jaar toen de jager hem te grazen nam. De ring was in Nederland bij de toen nog jonge eend omgedaan.

Valentijnsdag voor de meerkoet

Het is 14 februari en een beetje meerkoet weet natuurlijk dat het Valentijnsdag is. Dit tweetal geniet van het mooie weer en tussen het voedsel zoeken door vinden ze telkens even tijd om elkaar te knuffelen. Aan het bouwen van een nest zijn ze nog niet begonnen, maar lang zal het niet meer duren. De toekomstige ouders knutselen binnenkort met zorg een soort eilandje in elkaar waarop de eieren gelegd gaan worden. Als materiaal gebruiken ze riet en andere waterplanten, maar ook allerlei bruikbaar afval kan voor de bouw worden gebruikt. De samenwerking binnen een meerkoetenhuwelijk is buitengewoon. Terwijl de een bouwt kan men de ander materiaal zien aanslepen.

Meestal bevat een nest tussen de 6 en de 10 eieren, die vanaf maart worden gelegd. Na ruim 3 weken broeden worden de kuikens geboren, donkergrijze bolletjes met een rood kopje. Na een week of 8 schijnen ze al te kunnen vliegen, maar veel jongen redden het niet om tot volle wasdom te komen. Roofvogels en hongerige snoeken houden flink huis onder de kuikens. Dat lijkt triest, maar de meerkoetenstand lijdt daar niet onder. De ouders gaan niet bij de pakken neer zitten en starten een 2e leg. Lees verder Valentijnsdag voor de meerkoet

Een lease-koe: de Schotse Hooglander

Er bestaat een markt voor alles. Staatsbosbeheer laat delen van het Bentwoud begrazen door Schotse Hooglanders. Het is de bedoeling dat deze runderen het terrein waar ze zijn ingezet open houden. Dat wil zeggen dat er tussen het ingezaaide en jarenlang gemaaide gras opengelopen en opengewroete plekken komen waar zaden van andere planten een kans krijgen. Een meer gevarieerde plantengroei moet het gevolg zijn. Meer variatie in begroeiing heeft positieve gevolgen voor de diversiteit van vlinders en andere insecten. Het in stand houden van een kudde is een vak apart. Staatsbosbeheer heeft deze klus uitbesteed aan een gespecialiseerd bedrijf: Ekogrön.
Schotse Hooglander foto
Foto: Melle Kuit
De Schotse Hooglander is een rustig, vreedzaam rund. Het dier blijft echter een dier met alle instincten die daar bij horen. De stier zal zijn dames verdedigen en de dames zullen hun kalveren beschermen. Kom daarom niet te dichtbij, hoe aaibaar ze ook lijken. Lees verder Een lease-koe: de Schotse Hooglander

Snoekje: Een reus in de dop?

Hoe zal het dit snoekje zijn vergaan? Op het moment van de foto was het een krappe 2 cm. lang en hooguit zo’n twee weken oud. Een vrouwtjessnoek legt per kilo lichaamsgewicht 15.000 tot 30.000 eitjes. Voor de modale moedersnoek moet 100.000 eitjes per jaar haalbaar zijn. De maximale leeftijd die een snoek kan bereiken zweeft tussen de 15 en 25 jaar. De gemiddelde leeftijd die vrouwtjes bereiken schijnt 12 a 13 jaar te zijn. Wat grof rekenwerk maakt aannemelijk dat er in een snoekenleven meer dan een miljoen eitjes worden geproduceerd. Wanneer de snoekstand stabiel is brengt elke snoek gedurende zijn of haar leven één succesvolle nakomeling voort. De kans dat de kleine held of heldin op de foto nog leeft, is daarom verwaarloosbaar klein, te vergelijken met het winnen van een dikke prijs in de oudejaarsloterij.
Snoek kck 300416
Sartre zei het al: l’ Enfer c’est les autres. Veel snoekjes worden opgegeten door hun soortgenoten. Iets handiger en sneller groeiende exemplaren uit de zelfde leg vergroten hun voorsprong door zich te goed te doen aan hun broertjes en zusjes alvorens over te gaan op andere vissoorten. Hoe kleiner een snoek is, hoe langer hij probeert zich schuil te houden in de dichte begroeiing langs de oever. wanneer de snoek groter wordt zoekt hij steeds meer het open water op of wordt daartoe gedwongen door een lagere waterstand. Daar is hij pas relatief veilig wanneer hij een lengte van bijna een halve meter heeft bereikt. Relatief, want grote snoeken presteren het om soortgenoten te verslinden met een lengte van 70% van hun eigen lengte. Soms is verstikking het gevolg en overleven ze hun gulzigheid niet. Ook het kleintje op de foto lust wel iets. Het vertoont een goedgevuld buikje.
Uitgebreide en boeiende informatie over het leven van de snoek is te vinden op de site van de Vereniging Sportvisserij Nederland, Info.nu of op Roofvisnet.nl.

Staafwants: de wandelende tak van het zoete water

Het kan er zo idyllisch uitzien; een mooie waterpartij op een zonnige zomerdag. Onder het wateroppervlak woedt echter een continue strijd om het bestaan. Eten of gegeten worden is de realiteit van elk moment. Rust bestaat niet. Elk ogenblik kan het noodlot toeslaan, bijvoorbeeld in de vorm van deze staafwants.
staafwants
Niet te onderscheiden van een half vergaan stukje rietstengel loert dit trage dier tussen de waterplanten op argeloos voorbij zwemmende waterdiertjes. Zijn voorpoten houdt hij voortdurend in de aanslag om toe te slaan. Zijn klauwen hebben veel weg van de grijpers van een bidsprinkhaan. Zoals alle wantsen heeft hij de beschikking over een scherpe zuigsnuit waarmee hij zijn slachtoffer doorboort en leegzuigt. Hieraan dankt de orde van insecten waartoe de wantsen behoren de naam snavelinsecten. Een andere, nogal verwarrende naam is: halfvleugeligen. De meeste wantsen hebben vier vleugels, waarvan het voorste paar grotendeels verhard is en als bescherming dient. Met de achterste vleugels kunnen veel wantsen vliegen. Ook de staafwants beschikt over vleugels, maar deze gebruikt hij niet. De lange spriet aan de achterzijde is een adembuis; een soort snorkel. Dicht onder het wateroppervlak hangend kan hij zijn omgeving in de gaten houden in afwachting van een smakelijk hapje.

Een bootsmannetje in de Tweede Tocht

Je komt ze op de gekste plekken tegen. Niet alleen in de sloot, maar ook in diepe regenplassen. Zelfs in het zwembad kun je ze ’s morgens plotseling aantreffen. Het bootsmannetje is een waterinsect dat niet alleen snel en behendig zwemt, maar ook goed kan vliegen en daardoor soms op onverwachte plekken belandt. Hij behoort tot de orde der wantsen. Deze dieren hebben een zuigsnuit waarmee sommige soorten plantensappen opzuigen. Andere hebben het op dierlijke prooien voorzien. Tot deze tweede categorie behoort het bootsmannetje. Met wat fantasie heeft zijn lichaam iets weg van een klein bootje en met zijn lange, door stugge haartjes op roeispanen lijkende poten beweegt hij zich snel door het water op zoek naar prooi. Deze bestaat uit jonge visjes, amfibielarven en andere kleine waterdieren. Opvallend is dat het bootsmannetje op zijn rug zwemt.
rugzwemmer nimf
Hieraan heeft hij zijn tweede naam “rugzwemmer” te danken. Wantsen kennen geen worm- of rupsachtig larvestadium. De jonge dieren, de nimfen, vervellen een aantal malen. Na elke vervelling lijken ze weer een beetje meer op het volwassen dier. Ook wie onder water leeft heeft zuurstof nodig. Daarom komt het bootsmannetje regelmatig even naar het wateroppervlak om lucht te “tanken”. Met een voorraadje lucht tussen de stugge haartjes aan de buikzijde kan hij weer enige tijd onder water blijven. Deze luchtvoorraad geeft het diertje een zilverachtig uitziende buikzijde. Dit is bij meer waterinsecten te zien. De foto toont een nimf, die net als het volwassen dier even aan de oppervlakte komt om zijn luchtvoorraad te verversen.

Een wereldreiziger: de distelvlinder

Een paar keer was ik de distelvlinder de afgelopen jaren in het Bentwoud tegengekomen. Het maken van een bruikbare foto lukte echter steeds niet. Het dier is erg wantrouwig en bovendien sterk en snel. In luttele seconden kan hij uit het zicht verdwenen zijn. Dat mag ook wel, gezien zijn leven als trekvlinder. In het voorjaar komen de distelvlinders naar onze streken vanuit Zuid-Europa en Afrika. Hierbij maken ze handig gebruik van de wind. Deze moet uiteraard wel de goede kant op waaien, zodat het aantal distelvlinders enorm kan variëren.
Distelvlinder
Het schijnt dat een invasie van distelvlinders vaak samengaat met het onze kant op waaien van Saharazand. Dit fijne, zand kan soms als een roodbruin stoflaagje op auto’s, buiten hangend wasgoed etc. worden waargenomen. De distelvlinder plant zich in het noorden voort, maar ook onderweg kan de vlinder zich al voortplanten. In het najaar is het zaak terug te vliegen naar warme streken. Zowel de rupsen als het volwassen dier overleven een noordelijke winter niet. De afstanden die worden afgelegd zijn enorm voor zo’n klein diertje. Ook op IJsland is de distelvlinder waargenomen en ooit las ik dat hij soms even uitrust op schepen die op volle zee varen.
Begin juni waren er in het Bentwoud plotseling enorm veel distelvlinders. Ze zijn waarschijnlijk hier geboren want ze zagen er stuk voor stuk fris en onbeschadigd uit. Merkwaardig was dat het fotograferen heel makkelijk ging. De nectar uit de rode klaver waarvan ze snoepten was blijkbaar zo lekker dat ze voor gevaar even geen oog hadden.

De tiendoornige stekelbaars: een echte driftkikker

Bij de werkzaamheden tot voltooiing van het Bentwoud behoort het omhoog brengen van de waterstand. Hiermee wordt de zogenaamde zoute kwel tegengegaan. In laaggelegen poldergebied heeft diepgelegen grondwater de neiging omhoog te willen komen. Dit water kan zout bevatten uit de tijd dat de polders nog zee waren. Ook kan zeewater onder dijken en duinen door op grote afstand van de zee in laaggelegen gebied de neiging hebben naar de oppervlakte te komen. Door in sloten en plassen de waterstand te verhogen wordt door de “dikkere laag” zoet water het brakke water beneden gehouden. Of de bomen blij zijn met de hogere waterstand valt nog te bezien. De bodem van het Bentwoud is al erg nat en de bomen hoeven niet diep te wortelen om aan water te komen. Dit maakt ze erg gevoelig voor omwaaien. Nog meer water rond de wortels kan bovendien verstikkend werken.
Tiendoornige stekelbaars kck 300416
Voor het waterleven in het Bentwoud is de hogere waterstand een zegen. Een mooi voorbeeld is de tweede tocht, die van oost naar west door het gebied loopt. Het water staat nu een stuk boven de steile oude beschoeiing, zodat er een combinatie is ontstaan van diep water in het midden en ondiep water langs de oever. Dit ondiepe water vormt een ideale kraamkamer voor vissen en andere waterbewoners. Beschermd door waterplanten en oeverbegroeiing kan hier aan de voortplanting worden gewerkt. Een eerste onderzoekje leverde de ontmoeting op met een volwassen snoek, enkele jonge voorntjes, een “snoeklarve” van nog geen twee centimeter lang en enkele tiendoornige stekelbaarsjes. Dit laatste visje neemt het trouwens niet zo nauw met de waterkwaliteit. Als er genoeg te eten is, zoals muggenlarven is deze waterbewoner al snel tevreden. Hij jaagt echter op zicht, dus een zekere helderheid van het water is wel nodig. Om zich voort te planten heeft dit visje bovendien een dichte begroeiing van waterplanten nodig. Hierin bouwt het mannetje een nestje van plantendelen. Met verleidelijk baltsgedrag lokt hij hier een vrouwtje in, dat wordt weggejaagd nadat zij eitjes in het nest heeft gelegd. De vader blijft vanaf dat moment zijn nageslacht fanatiek bewaken en verdedigen tegen alles wat in de buurt komt. In het voortplantingsseizoen is het mannetje donker gekleurd, terwijl de drie stekels aan zijn onderzijde bijna fluorescerend licht zijn. Op de foto is te zien hoe een mannetje een vrouwtje aanvalt. Terecht: ze zou zomaar haar eigen kinderen kunnen opeten.